DE GESCHIEDENIS VAN DE ARGENTIJNSE TANGO
Het ontstaan van de tango gaat inmiddels meer dan honderd jaar terug. Aangenomen wordt dat de
negers die als slaven op de plantages werkten het woord tango introduceerden. Zij brachten de candombe mee uit Afrika, een rituele dans waarin elementen uit hun religie en het katholicisme
met elkaar vermengd waren. Oorspronkelijk dansten ze in een optocht over straat. Helaas bleek
dit al te vaak tot bloederige gevechten te leiden en werden ze naar besloten kring verbannen.
Hier ontstonden de eerste danslokalen, de Sociedades Negros, in de volksmond al snel 'Tango's'
genoemd.
Eind 19e eeuw was Argentinië voor velen in Europa de gouden droom. Met name jonge, mannelijke
gelukszoekers, zochten hun weg naar Argentinië. Ze namen hun dierbaarste bezittingen mee, vaak
muziekinstrumenten en hun herinneringen aan de Europese dansmuziek (walsen, polka’s en
mazurka’s). In Argentinië aangekomen, wachtte hen de grote teleurstelling van armoede en
werkeloosheid en de vijandigheid van de reeds zwaar teleurgestelde lokale bevolking (de gauchos
van het platteland en de inheemse bevolking; de creolen).
De meeste kwamen niet verder dan de havenwijken in de hoofdstad Buenos Aires, waar ze samen
met de gauchos en creolen in de zogenaamde huurkazernes belandden. Om het leven enigszins te
verlichten en hun ellende voelbaar te maken speelde men muziek, in die tijd vooral fluit, viool
en gitaar. Al gauw ontstonden kruisbestuivingen tussen de verschillende muziekuitingen. Zo was
er de Habanera, een Afro-Spaanse dans en muziekvorm, door Cubaanse matrozen in de havenwijken
meegebracht. De Europese migranten namen walsen, mazurka’s en polka’s mee. Daarnaast waren er de
milonga’s, liederen en muziek die de gaucho’s meebrachten van de pampa’s. En natuurlijk waren er
de eerder genoemde candombes, door de negers geďntroduceerd. Onder invloed van deze
improviserende muzikanten ontstond uiteindelijk een muziekvorm die de naam tango meekreeg.
Waar muziek is, wordt gedanst. Zo ook in de arme barrio’s. Aanvankelijk waren het vooral de
naar de stad getrokken gaucho’s, equivalenten van de Amerikaanse cowboys, die langzaam van hun
territorium werden verjaagd, doordat grootgrondbezitters en speculanten de voorheen zo weidse
pampa’s opdeelden in kleine omheinde gebiedjes. Zij werden in Buenos Aires de compadres
(ontheemde gauchos) genoemd.
In Buenos Aires probeerden zij hun eens zo heldhaftige reputatie hoog te houden met hun
cultus van mannelijke moed en eer, behendig messenspel, provocatieve kleding en hun stoere
liederen en gitaarspel. Het duurde niet lang of de compadres trokken ook de dansvaardigheden
naar zich toe. Hierdoor probeerden veel jonge migranten op de compadres te lijken. Het leverde
hen de spotnaam compadritos op. Aanvankelijk was het dansen van de compadres vooral gericht op
het spotten met andere bevolkingsgroepen en hun dansen. Hun danspassen werden ook een manier om
nieuwkomers, die de vaak ter plekke verzonnen choreografische figuren niet beheersten,
belachelijk te maken. Daarnaast was het voor hen zaak om goed te kunnen dansen om zo de bardames
en milonguitas (prostituees) het hof te maken. Voor deze dames was dansen inmiddels een beroep
geworden, een manier om klanten te werven.
Begin 20e eeuw doet de bandoneon zijn intrede in Argentinië. Dit van oorsprong Duitse
instrument, een kleine blaasbalg met ontelbare toetsen en een ongeëvenaarde klank, werd rond
1845 ontwikkeld in het ertsgebergte en daar vooral door de mijnwerkers bespeeld. Dit instrument
gaf uiteindelijk de tango zijn zo unieke karakter. Met zijn warme, melancholische en dan weer
schrille tonen wist het de gevoelens van al die ontheemde mensen in de arme barrio’s als geen
ander te verwoorden. Met het intreden van de 20e eeuw begint de tangodans ook haar eerste
wereldtournee. Jonge rijke mannen, meestal zonen van rijke immigranten-families, kwamen graag in
de bordelen, drink- en dansgelegenheden in de barrios, waar van alles te krijgen was op het
gebied van vrouwen en plezier.
Daar leerden zij de tango dansen, die zij vervolgens op hun reizen naar Parijs en New York
introduceerden in de vooraanstaande salons aldaar. De tango werd een hit in de Europese
aristocratische kringen en werd ook in Amerika met open armen ontvangen. Het schijnt dat ook in
Nederland (bekend is het Kurhaus in Den Haag) al volop tango gedanst werd rond 1910. Het kon dan
ook niet lang uitblijven dat ook de Argentijnse jetset, die met argusogen naar Europa keek en
alle nieuwe trends kopieerden, zich vol overgave in de tangodans stortten. De dans verloor
hierdoor zijn louche karakter en kreeg een meer elegantere uitstraling.
Onder invloed van deze populariteit kon de tangomuziek zich steeds verder professionaliseren
en kwamen de eerste orkesten van de grond. Muzikanten kregen steeds vaker platencontracten en
tournees aangeboden, waardoor men er professioneel van kon leven. Bekende orkesten uit die tijd,
die nog steeds een stempel op de dansvloer drukken, zijn de orkesten van o.a. Roberto Firpo,
Francisco Canaro en Vicente Greco, de zogenaamde Guardia Vieja. Daarnaast kreeg de tango canción,
de gezongen tango, in de orkesten een meer prominente rol en werden de tangoteksten een
zelfstandige kunstvorm. Een van de beroemdste tangozangers uit deze tijd is Carlos Gardel. Met
zijn tangolied ‘Mi noche triste’ introduceert hij in 1917 de tango canción.
Vanaf 1920 werden orkesten steeds groter onder invloed van de enorme populariteit van de
tango in Europa en Amerika en de opkomst van de radio. Voortaan werd er met 2 bandoneons, 2
violen, een contrabas en een piano gespeeld, het zogenaamde Sexteto Tipico. Ook werd er meer
geëxperimenteerd met de bezettingen van de ensembles en het instrumentarium van de tangomuziek.
Deze stroming tango muzikanten noemde zich de Guardia Nueva. Bekende tangovernieuwers uit die
tijd zijn Osvaldo Fresedo en Julio di Caro. Dan breekt eind jaren twintig toch de eerste crisis
uit in Argentinië. Alleen de grote en populaire orkesten overleven deze crisis en de tango wordt
steeds meer commercieel ingezet. De Sextetos Tipicos verdwijnen van het toneel en ook de muziek
ondergaat begin dertiger jaren, met het aandraaien van de economie, een verandering.
Orkestleiders als Juan D’Arienzo proberen het danspubliek weer enthousiast te maken door een
snelle, levendige en ritmische vertolking van oudere composities te spelen en nieuwe
muziekarrangementen te schrijven. Dit zeker ook door de concurrentie van de jazzmuziek die zijn
opmars doet in Argentinië. De orkesten worden groter en krijgen meer de uitstraling van een big
band. De eerste tango orkesten in deze nieuwe formule, de Orquestas Tipicas, zijn van o.a.
Anibal Troilo, Miguel Calo en eerdergenoemde D’Arienzo. Zij spelen vanaf dan in een bezetting
van 4 of 5 bandoneons, meerdere violen, een altviool, een cello, een piano en een contrabas.
Latere beroemdheden, als Osvaldo Pugliese en Astor Piazolla, spelen in deze orkesten.
Na de tweede wereldoorlog raakt Argentinië door de politieke doelstellingen van het Peronisme
geďsoleerd van de rest van de wereld. Veel mensen werden opgepakt omdat ze andere meningen
hadden dan de gevestigde politieke orde. Zoals wel vaker betrof het vooral kunstenaars en
studenten, waaronder ook een aantal tangomusici als Osvaldo Pugliese die op de zwarte lijst
stond en diengevolge in de gevangenis belandde. Het verhaal gaat dat, bij zijn afwezigheid, het
orkest tijdens een optreden een rode anjer op de piano legde om hem te steunen en als stil
protest.
In de jaren zestig doet de rockmuziek zijn intrede en dreigt de tango een stille dood te
sterven. De jeugd danst liever op de populaire rockmuziek dan op de in hun ogen ouderwetse
tangomuziek. Ook de angst en censuur, die de militaire junta’s na Peron met zich meenemen, doen
de salons en concertzalen leeglopen en veel tangomaestros vluchten naar Europa en Amerika.
Daarnaast worden veel tango-opnames vernietigd in een poging de tango de mond te snoeren. Pas in
de jaren tachtig, als ook het politieke regime in Argentinië stabieler wordt trekt de tangoscene
weer aan. Met name de Tange Espectaclo, de podiumtango waardoor grote tangoshows uit Argentinië
naar Europa en Amerika geëxporteerd kunnen worden, zorgt ervoor dat het publiek weer enthousiast
wordt.
Ook musici als de bandoneonist Astor Piazolla, die in de jaren vijftig aan het conservatorium
studeert in Parijs, dragen bij tot een nieuwe ontwikkeling in tangomuziek. Op aanraden van zijn
muzieklerares in Parijs verdiept hij zich in zijn muzikale afkomst, de tango, en bouwt deze
verder uit. Uit een andere visie op tango componeert hij een geheel nieuw tangogeluid, de Tango
Nuevo. Hij trekt volle concertzalen op zijn tournees door Japan, Amerika en Europa. Alleen de
Argentijnse tangoscene wil aanvankelijk niets van zijn muziek weten, totdat de jeugd enthousiast
werd door dit nieuwe en moderne tangogeluid met zijn verwijzingen naar de jazzmuziek. Aan de
andere kant was er Osvaldo Pugliese die, met zijn complexe ritmische en instrumentale structuren
gecombineerd met uiterst gepassioneerde, expressief uitgevoerde melodische thema’s van solisten,
een weg opende naar de Tango Nuevo.
Onder invloed van de Tango Nuevo-muziek en de Tangos Espectaclos verandert de dansstijl.
Paren dansen verder uit elkaar en de figuren worden groter, complexer, meer acrobatisch en
dynamischer. Er lijkt een splitsing te komen tussen de salondansers en nuevodansers. Er komen
meer en meer discussies over wat de tangodans zou moeten zijn en steeds meer dansers gaan op
zoek naar de definitie en structuur van de dans. Bijna honderd jaar nadat de dans is ontstaan
begint deze zich ook te professionaliseren door beroemde dansers zoals Antonio Todaro. En later
in de jaren negentig door Gustavo Naveiro, Chicho, Mauricio Castro e.a..
Allen proberen hun definitie van tango in kaart te brengen en de tangowereld wordt in kampen
verdeeld over wat de echte tango is. Over een ding lijkt eenieder waar ook ter wereld het eens;
de tango is en blijft, een spannende, sensuele en harmonieuze interactie tussen twee mensen en
de ziel van de muziek. Een dans van iedereen en niemand in het bijzonder.
|